Memoires uit een tijdperk vóór bel-angst
“Mister Watson, come here, I want you.”
Dat waren de eerste woorden die ooit door een telefoonlijn gingen.
Honderdvijftig jaar later hebben we een toestel in onze broekzak dat alles kan.
En toch worden we collectief een beetje ongemakkelijk van de OG-functionaliteit van de telefoon.
Bellen.
Ik kom uit een tijdperk waarin bellen het enige doel van een telefoon was.
Mijn eerste herinnering aan de telefoon is de briefing van onze ouders hoe we als kinderen de telefoon horen op te nemen.
“Goedenavond, bij familie X, u spreekt met Axelle.”
Vervolgens de enorme draadloze hoorn met klein antenneke van het dockingstation nemen en fysiek doorschakelen naar één van je ouders.
Mijn ouders stonden er ook op dat we ons telefoonnummer uit het hoofd leerden.
Stel dat je verdwaalt!
Goed gedrild zat het nummer in mijn hoofd gegrift.
Zelfs nu kan ik het nog aframmelen op exact dezelfde cadans als toen.
Throwback naar een bel-geval dat je je de dag van vandaag niet meer kan inbeelden.
Als kind belden we naar het werk van onze ouders.
Dan hing je dus met de receptioniste aan de lijn:
“Hallo Sonja, Axelle weer, kan ik mijn mama spreken? Ja het is belangrijk”.
Dat was het nooit.
Als 8-jarige belde ik à la iemand met een kort pittig kapsel
“Can I talk to the Momager, please!”
…om haar te informeren dat het brood hard was.
En wat ik nu als vieruurtje moest eten?
Een ander voorbeeld van vergane glorie: je vrienden bellen.
Of beter gezegd: eerst braaf beleefdheden uitwisselen met de ouders van vrienden voor je bestie eindelijk aan de lijn kwam.
“Goedenavond meneer, Axelle hier, de vriendin van uw dochter. Ja, we zitten samen in de klas. Ja, Frans gaat goed. Très bien, oui oui. Zou ik haar misschien even mogen spreken?”
En dan wachtte je.
Aan de andere kant van de lijn een veertiger.
En stilte is onverdraaglijk voor een veertiener.
Dus terwijl je vriendin uit haar tienerzolderkamer helemaal naar beneden loopt waar het familietoestel hangt, doe je een babbeltje met haar pa.
Over school. Over je ouders. Over het aankomende dorpsfeest. Over het weer.
Ik zie het nu als een vroege training in small talk of algemene sociale vaardigheden.
Skills voor het leven.
Het allerbeste gevolg hiervan is dat ik vandaag nog altijd de ouders van mijn jeugdvrienden ken.
Dan herkennen ze me op straat: “Axelle? Amai, lang geleden! Je bent geen haar veranderd!”
Gespeeld gegeneerd zeg ik dan: “Stop iiiit!”
Ik leef voor de complimenten van de mensen die onze verkleedpartijtjes en chaotische sleepovers onder hun dak tolereerden.
We herinneren ons ook allemaal het robotachtige internetgeluid dat je hoorde als iemand online was (probably op MSN) en je dus niemand kon bellen op dat moment.
Achteraf gezien, een les in onderhandelen voor dummies.
Diplomatie op gezinsniveau.
En dan eindelijk mijn eerste gsm! Een Nokia 3310.
Het hele alfabet in 9 knoppen.
Negen knoppen voor een ondertussen verloren ambacht: diepzinnige SMS’jes typen zoals:
66 9 555 999
Na de iconische 3310, volgden al snel variaties van flipphones, schuifmodellen en Blackberry’s met dat kleine scrollballetje.
Tot dan waren telefoons vooral… telefoons.
Voor muziek had je een MP3-speler.
Of een iPod.
Volgeladen met muziek gedownload via LimeWire, waardoor de familiecomputer permanent besmet was met minstens zes virussen.
En toen verscheen de smartphone ten tonele.
Je hele leven in één toestel.
Bellen.
SMS’n.
Muziek.
Internet.
Foto’s.
Groepschats.
Social media.
Mails.
Agenda’s.
Navigatie.
Bank-stuff.
Je stappen.
Het weer.
Je regels.
Je slaap.
De smartphone wordt stilaan een verlengstuk van mijn hand.
En als je beweert dat dat bij jou niet zo is..
Stop met liegen.
Hier wordt het ironisch: hoe meer onze telefoon kan, hoe minder we hem durven gebruiken waarvoor hij eigenlijk bedoeld was.
Bellen.
Vandaag hebben hele generaties een lichte paniek bij een onverwachte oproep.
Of bij het idee dat ze iemand moeten bellen.
Blijkbaar lijden we er massaal aan: bel-angst.
Ons hele leven staat online, maar het idee dat we aan de telefoon in realtime de vraag van een (on)bekende niet kunnen beantwoorden…
Scary. Want we maken ons liever niet belachelijk.
Aan de life coaches, ik geef het maar mee: Bel-angst = goudmijn.
Anyway.
De telefoon bestaat ondertussen 150 jaar.
Ooit uitgevonden om te bellen.
Maar het is iets wat we blijkbaar opnieuw moeten leren.
Na een random telefoontje gisteren met mijn zus heb ik me voorgenomen om wat meer “90s te gaan”.
Meer bellen dus.
(En wie weet is het de remedie voor mijn schandalig laat terugsturen op berichtjes. A girl can hope.)
Het telefoontje met mijn zus was geen groot gesprek.
Niks praktisch te bespreken.
Geen vragen.
Gewoon mijn brainfart gedeeld.
Vijf minuten. Misschien zes.
Zoveel gezelliger.
Zoveel leuker dan wanneer ik het als bericht had gestuurd.
Let’s be real. Ik zou oprecht niet meer zonder mijn telefoon kunnen.
Maar meer bellen, daar ga ik voor.
Dus bel me.
(In plaats van schrijf me).
Laat me vlug iets weten!
V.L.E.K.

